Perspectieven van de Partido Popular over werkgelegenheid en inkomensgroei
Alberto Nadal, de ondervoorzitter voor Economie en Duurzame Ontwikkeling van de Partido Popular (PP), benadrukte tijdens een bijeenkomst in A Coruña dat het niet de bedoeling is om het brutoloon van het Minimum Interprofessioneel Salari (SMI) te verhogen zodat alle Spanjaarden hetzelfde inkomen ontvangen. In plaats daarvan pleit hij voor een situatie waarin iedereen meer verdient. Volgens Nadal gelooft de PP in de Spaanse bevolking en in het land zelf, in tegenstelling tot wat hij beschouwt als de houding van Pedro Sánchez. Hij stelt dat welvaart voortkomt uit de inspanningen en het harde werk van de burgers, die het land vooruithelpen.
De discussie over productiviteit en economische groei
In het debat werd benadrukt dat termen als ‘productiviteit’ en ‘concurrentiekracht’ volgens Nadal uit het vocabulaire van de overheid verdwenen zijn. Hij bekritiseerde dat zelfs de minister van Economische Zaken er niet meer over spreekt. In zijn verklaring stelt Nadal dat de focus ligt op administratieve beslissingen, subsidies, fondsen en belastingen, terwijl groei, productiviteit en concurrentiekracht niet aan bod komen. Hij onderstreept dat het verhogen van de productiviteit essentieel is om het gemiddelde salaris te laten stijgen en de inkomens van alle Spanjaarden te verbeteren.
De ministerie van Arbeid, onder leiding van Yolanda Díaz, heeft voorgesteld om het SMI in 2026 met 3,1% te verhogen tot 1.221 euro per maand, gebaseerd op veertien uitbetalingen, zonder belastingheffing op de omzetbelasting (IRPF). Nadal benadrukt dat het niet de bedoeling is om simpelweg het minimumloon te verhogen voor iedereen, maar dat het belangrijk is dat iedereen meer verdient omdat de productiviteit verbetert. Hij voegt eraan toe dat een grotere economische ‘de taart’ voor iedereen voldoende ruimte biedt, waardoor er minder conflicten ontstaan over verdeeldheid.
Belastingbeleid en overheidsregulering
Nadal verdedigt het invoeren van ‘rechtvaardige en passende belastingen’ die de publieke diensten financieren zonder de koopkracht van gezinnen te ondermijnen. Het belastingsysteem moet ook investeringen stimuleren en technologie en talent aantrekken. Daarnaast pleit hij voor ontbureaucratisering, omdat volgens hem de overmatige regelgeving haar oorsprong vindt in een ideologie die zich vertaalt in wetten en regels. Hij stelt dat degenen die deze regelgeving bedenken vaak niet uit de praktijk komen, maar activisten zijn die hun ideeën in wetten vastleggen.
Hij refereert aan de grote stroomstoring op 28 april vorig jaar en benadrukt dat, ondanks de maanden die sindsdien verstreken zijn, er nog niet eens een officieel rapport is over de oorzaak. Niemand heeft daarvoor verantwoording genomen. Nadal beschuldigt het beleid er ook van dat het de belangrijkste sectoren van Spanje, zoals de primair sector en toerisme, negeert of zelfs afschildert als milieuschadelijk. Hij benadrukt dat de boeren, die het land kennen en liefhebben, vaak worden gecriminaliseerd.
De positie van de overheid ten opzichte van de productieve sectoren
Nadal wijst erop dat de huidige regering sectoren zoals toerisme en bouw als ‘ontevreden’ beschouwt. Hij bekritiseert dat de overheid vooral de cijfers van tijdelijke werknemers probeert te verbeteren, zonder de echte problemen aan te pakken. Nadal stelt dat wanneer Alberto Feijóo de leiding krijgt, het beleid radicaal zal veranderen. Hij schetst een toekomstbeeld waarin de Spaanse productie-sector niet wordt gezien als een vijand of een melkkoe voor belastingen, maar als een belangrijke partner.
Volgens Nadal zal Feijóo snel beleidsmaatregelen implementeren om Spanje te laten groeien en te zorgen dat het zich kan meten met de welvarender landen van Europa en de wereld. Het doel is dat het werken, investeren en ondernemen in Spanje weer de moeite waard wordt, en dat de inkomensconvergentie met de meest ontwikkelde landen wordt hersteld.









